Hoofdstuk 1
Van waar muur?
Inleiding
Spreken over de muur is een vragen naar wat we in architectuur aantreffen als een fysiek object. De muur is waardoor we in contact komen met architectuur. Een directe relatie die tot stand komt in de ontmoeting. Het is niet allen het in contact komen en in contact zijn. Het spreken over de muur vraagt naar de achtergrond van het denken van en over architectuur. De problematiek van de muur is niet alleen een standpuntbepaling in architectuur. Het is gegrond in de vraag, ‘Wat is architectuur?’. Het stellen van deze vraag is een verbreding van het onderzoeksveld. Een onderzoeksveld dat amper is te overzien. Door het verkennen van deze vraag, die als onbeantwoordbaar moet worden beschouwd, wordt het spreken over de muur een zachte verwijzing naar deze onbeantwoordbare vraag.
Wat is architectuur?
De vraag; “Wat is architectuur?”, is een gemakkelijke en intrigerende vraag. Door het stellen van deze vraag impliceren we dat we het antwoord op deze vraag niet kennen. Wanneer we deze vraag zouden voorleggen aan architecten, historici, sociologen of filosofen kunnen we er van uitgaan dat er evenveel verschillende antwoorden zullen zijn als het aantal mensen dat we hebben gexefnterviewd. De vraag die we stellen is niet louter een vraag naar de betekenis van het woord; architectuur. Het vraagt naar het denken over architectuur en tegelijkertijd naar een definitie van architectuur. Het is een vragen naar de betekenis van architectuur. Een vraag naar de ontwikkeling, geschiedenis en positie van de architectuur (in de maatschappij. Deze aspecten worden verweven wanneer we spreken over architectuur. We gaan er van uit dat ons publiek, vanuit de context en scholing, weet waar we naar verwijzen. Het is af te vragen of deze veronderstelling juist is.
We hebben geen zekerheid aangaande het kennisniveau van de toegesproken mensen en zeker niet welke interpretatie zij hanteren. Het is niet helder hoe het publiek denkt over architectuur. In omgekeerde zin moet hetzelfde worden geconstateerd. Het publiek heeft geen idee wat de definitie is die wordt gebruikt. Door het volgen van een betoog, of een gebouwd oeuvre, kan impliciet kennis worden opgedaan hoe er wordt gedacht over de vraag;”Wat is architectuur?”.
Voor een opdrachtgever is dit een gegeven allerminst vanzelfsprekend. De opdrachtgever heeft van uit zichzelf een idee over architectuur. Hij gaat er niet van uit dat het standpunt van een architect, of een ander, zou kunnen verschillen. Dit is maakt de weg open voor misverstand en onbegrip. Doordat we te maken hebben met verschillende wijzen van beantwoorden van deze vraag is het noodzakelijk om tot een uitspraak te komen.
Het doen van een uitspraak over de vraag; Wat is architectuur?, kan allerminst worden beschouwd als een eindpunt van een discussie. Het moet worden opgevat als een tijdelijke beantwoording daar de meningen over architectuur zeer van elkaar verschillen alsmede dat ze van uit verschillende gezichtspunten worden uitgesproken. Door het stellen en het geven van een voorlopig antwoord op deze vraag wijzen we welke richting architectuur aanneemt volgens de steller van de vraag.
De vraag; “Wat is architectuur”, kunnen we illustreren met de vraag “Wat is lekker eten?”. Er zijn vele antwoorden mogelijk. Al deze antwoorden hebben een eigen waarde. Om een antwoord op deze vraag te geven hebben we context nodig. Wie stelt de vraag. Wat is de omgeving? Hoe laat is het? Zijn er meerder mensen aanwezig? Op een zelfde wijze dienen we de vraag; “Wat is architectuur”, te benaderen.
We zullen daarom van uit verschillende gezichtspunten het licht laten gaan over deze vraagstelling. We weten dat een directe beantwoording niet mogelijk is. Door het kiezen van verschillende gezichtspunten zijn we instaat om iets beter te wijzen naar “Wat is architectuur?”.
Elke architectuurperiode die wordt onderscheiden worstelt met deze vraag of negeert hem bewust. Beide zijn tekende voor het feit dat deze vraag om stellingname vraagt. Zonder een uitspraak, al dan niet impliciet, is het niet mogelijk om te spreken, over architectuur. Spreken over architectuur geeft hiermee een voorlopig antwoorden op de vraag; “Wat is architectuur?”.
We zouden kunnen stellen dat door te vragen naar het denken over architectuur, we vragen naar het zijnde van de architectuur. Wat ligt ten grondslag aan de architectuur? Wat is haar primaire eenheid? Hoe is ze opgebouwd?
Naast dit vraagstellen is architectuur een gegeven waarin we zijn. Het is dagelijks om ons heen. We leven er in. Het is gewoon.
“In architectuur spelen de banale eisen van de bruikbaarheid altijd een rol en dat geeft architectuur iets alledaags, iets vanzelfsprekend dat geen aandacht behoeft.”
Het is deze alledaagsheid die verbijzondert. Het maakt het ‘gewone’ bijzonder alsmede dat het sublieme als vanzelfsprekend wordt ervaren. Het sublieme en het ‘gewone’ zijn hierin oorzakelijk met elkaar verbonden. Het sublieme is aanwezig in de zee van wat-er-gewoon-is. Het ‘gewone’ wordt herkend door het sublime zich uitzondert. Het versterkt en bexefnvloed elkaar daardoor. Het sublieme dat zich onderscheid van het ‘gewone’ door bouwend te zoeken naar het ultieme antwoord op de vraag; “Wat is architectuur”. Het ‘gewone’ stelt voor zichzelf vast en neemt aan dat ze architectuur is. Het ‘gewone’ stelt zich vragen het bouwt omdat het bouwen moet.
Het “gewone” gebruikt de elementen van het sublieme. De manier waarop zij dat doet is minder strak volgens een bepaald concept ontworpen dan we dat aantreffen bij het sublieme. We zouden kunnen opmerken dat het “gewone” losser is en zich onttrekt, of wil ontrekken, aan de (spel)regels van de architectuur. Door het gebruik van de elementen kan men zich er echter niet aan onttrekken an het sublieme. Het wordt genegeerd waardoor ze is zonder compleet te zijn. In feite is het gewone een excuus om een concept geheel door te voeren. Het maakt zich er gemakkelijk vanaf.
De banale eisen zijn voor de gebruiker/opdrachtgever onlosmakend verbonden met wat architectuur is. Het is vanuit het directe behoefteprogramma dat men is gaan denken aan architectuur. Hierin staat het dichtbij de persoonlijke beleving en invulling. Het zijn de verbanden tussen de verschillende handelingen en het aantal vierkante meters, soms kubieke meters, waar de beoordeling van een gebouw aan wordt afgemeten. In deze zin is architectuur het uitwerken van een functioneel probleem. Het is een opeenstapeling en/of het over elkaar heen schuiven van de benodigde programma’s. Deze uitwerking kan misschien het beste in de handen worden gelegd van een bedrijfskundige, gericht op organisatie, in plaats van een architect/ontwerper. Een gebouw, en daarmee architectuur,is hierin niets meer dan een organisatieschema dat letterlijk drie-dimensionaal is gemaakt.
Een organisatieschema kan verschillende architectonische wijzen worden uitgewerkt. Voorbeelden hiervan kunnen we zien in alledaagsheid om ons heen. Een principe, bijvoorbeeld de betreding van een gebouw, is niet in elke situatie op een zelfde gelijkende wijze uitgewerkt. Een betreding van een gebouw kan als volgt worden gevisualiseerd;
We zien een overgang van het opene, algehele buiten naar een besloten, afgezonderd binnen. Als we op dit op lager niveau bekijken zie we dat er, in de uitwerking, verschillen zijn, zoals onderstaande voorbeelden illustreren.
In verschillende architectuurperioden en werelddelen wordt een zelfde organisatieprincipe op een andere wijze uitgewerkt.
Het principe krijgt een vorm, waarmee het gestalte krijgt. Het wordt herkenbaar gemaakt voor gebruik. Door het maken van een vorm is er gebruik gemaakt van vormgeving.
Architectuur zou daarom gedefinieerd kunnen worden als de combinatie tussen het (functioneel) programma en de vormgeving. Door het combineren van een gekozen vormgeving en een organisatieprincipe zou een gebouw kunnen worden gerealiseerd. Hoe vormgeving en organisatieprincipe worden verbonden dan wel worden gecombineerd is gelijk eenduidig.
.De vraag is hoe we deze verbinding gaan aan maken.
De gekozen vorm, van het geheel en zijn onderdelen, kent hierin (nog) geen gegeven waaraan de vorm kan worden getoetst. Een zienswijze is dat de vorm een soort van mode is. Een mode waaraan een gebouw herkenbaar is. De vorm van het gebouw en haar uitwerking wordt getoetst aan deze mode. In de gebouwde omgeving zijn hiervan kenmerken zichtbaar. Een gebouw, uit bijvoorbeeld de jaren 50, is herkenbaar aan zijn bouwperiode. Deze herkenbare bouwperioden vormen een eenheid doordat de gebouwen behoren tot een en de zelfde stijl. De stijl is het gegeven waardoor we deze gebouwen herkennen als behorend bij een bepaalde periode.
“Stijl is veel meer dan alleen vorm. Het is een ingewikkeld complex van maatschappelijke verschijnselen, zoals religie, moraal, filosofie, dat tenslotte zijn neerslag vindt in een architectonisch vocabulaire.”
Vanuit dit complex van maatschappelijk verschijnselen kunnen we ons een beeld vormen hoe de mens leeft. Hiermee krijgen we een beeld, een visie, hoe de mens/gebruiker leeft in de gebouwde omgeving. Er ontstaat een idee van de relatie tussen de mens/gebruiker en het gebouw. Deze idee wordt verder ontwikkeld wanneer de architect/ontwerper in direct contact staat met de eindgebruiker. Door deze communicatie, en door onderzoek, ontstaat een context waarin wordt ontworpen. We zijn in contact getreden met de betekenisomgeving van een ontwerp. Het ontwerp krijgt hierdoor mogelijkheden om aan te sluiten bij deze betekenisomgeving. Een stijl wordt niet louter opgebouwd uit de genoemde maatschappelijke verschijnselen. Een gebouw heeft, behalve een geestelijke context, een fysieke context; omgeving. De relatie is wederkerig, zowel het gebouw als de omgeving zijn maatgevend.Hoe sluit de omgeving aan bij het ontworpenen en vice versa. Is er sprake van een aaneengesloten of juist een versnipperde omgeving. Het te bouwen ‘probeert’ hierin juist een onderdeel te zijn of laat zich afzonderen. Het betekent niet dat het gebouw ansich van belang wordt geacht. Het complex van de gehele omgeving wordt in beschouwing genomen.
Omgevingsaspecten kunnen zijn; de inrichting van het openbaar groen, het karakter van het gebied, de aanwezige infrastructuur, de typologie van de omliggende bebouwing, de bodemgesteldheid, etc. Deze elementen kunnen een grote invloed hebben op de uiteindelijke uitwerking. Hierbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan de manier waarop licht het gebouw binnen treedt..
Om licht binnen te laten moet er sprake zijn van een binnen. Het gebouw moet zijn opgericht. Het moet gemaakt zijn. Gemaakt van een of meerdere materialen. Het materiaal waarvan een gebouw gemaakt is bexefnvloed direct de aangenaamheid van de omsloten (gedefinieerde) ruimte. De hardheid, de structuur, de betekenis, de reflectiewaarde bepaald wat er wordt gezien en hoe er wordt gehandeld. Een houten wand (muur) is aangenamer om tegenaan te leunen dan een muur opgetrokken uit staalplaat. Een ruimte kan zwaarder en bedompter zijn door het gebruik van materialen die, van zichzelf of door constructiewijze, meer volume hebben. Door de materialen, de stoffelijkheid wordt de architectuur tastbaar. In en door de materialen worden we bewust van de eigen lichamelijkheid. Het stoffelijke van de architectuur maakt ons ervan bewust dat wij van materiaal zijn.
Architectuur kan opgevat worden als materiaal. Materiaal dat we waarnemen. Hierdoor staan we in contact met de wereld om ons heen en daardoor met het zelf, het eigen en het beeld waarin we leven.
Deze materialen zijn gepositioneerd en vervormd. Ze zijn ten opzichte van elkaar en de behoeften en handelingen van de gebruiker geordend. Ze worden op een bepaalde wijze bewerkt en met elkaar verbonden. Om materialen te kunnen bewerken en verbinden is het nodig om kennis te verwerven, met andere woorden; er is een techniek nodig. Zonder techniek zijn we niet in staat om te bouwen. Het stelt ons in staat om overspanningen te maken, om verschillende materialen met elkaar te verbinden, om het bouwen zelf te kunnen doen. Techniek is de benaming voor de handelingen en methoden voor het tot stand brengen van behoeften, bijvoorbeeld een gebouw.
Hoe meer we worden omringd door de gevolgen van de techniek hoe meer we geneigd zijn om het belang ervan te willen zien. Dit zien we in aanloop van het gebruik van nieuwe materialen die leiden tot nieuwe concepten, in het bijzonder in concepten die zijn gericht op de techniek. Een voorbeeld is introductie van beton in het bouwen. De modernen nemen dit materiaal aan om zich te ontdoen van de historische verworvenheden en een nieuwe, functionele, technische gebouwen voor te kunnen stellen. Op een zelfde wijze worden huidige ontwerpen gevoegd door wijze van het ontwerp; via softwarepakketten.
De ontwikkeling van een bepaalde techniek stelt deze techniek centraal in het denken. Door de focus op deze techniek leggen – op een andere wijze is het niet mogelijk om er over te kunnen denken – ontstaat een vooringenomenheid. De neiging ontstaat om het onderwerp in de focus meer te waarderen dan al het andere. Zo ontstaat een onevenwichtige situatie die het ontwerp in deze richting deze bevooroordeelde specifieke techniek stuurt. Voorbeelden van deze denkwijze zijn de Eifeltoren, een gotische kathedraal en ontwerpen van Lars Spuybroek. Een enkel bepaald aspect van techniek voert het denken aan. De andere aspecten zijn er aan onderworpen.
In de vorm van het gebouwde is deze techniek(voorkeur) herkenbaar. De manier waarop een kozijn in de muur wordt gezet of de wijze waarop de muur zelf wordt opgetrokken tekent het beeld van het gebouwde. Door te kiezen om te bouwen is het noodzakelijk om te definixebren op welke wijze er wordt gebouwd. Het bouwen, als de handeling van het tot-stand-komen, geeft hierin vorm aan het gebouw. Het materialiseren, het fysieke praktische bouwen, geeft niet de mogelijkheid tot twijfel. Er is een keuze gemaakt hoe het is of zal worden uitgevoerd zodat het mogelijk is te bouwen.
De techniek heeft hiermee een sterk bepalend karakter op de vormgeving van architectuur. Ze stelt de randvoorwaarden om tot vorm te kunnen komen en dankzij haar komt de architectuur tot vorm. Zonder techniek komt een (gebouwde) architectuur niet tot stand. Het is een belangrijk gegeven die op verschillende manieren in grijpt in architectuur. Geconcludeerd kan worden dat architectuur in primaat een technische discipline is.
“Architectuur is niet louter een technische discipline, veel problemen van het stedelijk bouwwerk zijn onverbrekelijk verbonden met maatschappelijke problemen die niet oplosbaar zijn in de technische zin van het probleem.”
Architectuur staat midden in de problemen van de maatschappij. Ze bouwt, vernieuwt, herbouwt, renoveert gebouwen die fysiek aanwezig zijn in de stede. Ze maakt mogelijkheden om bepaalde ontwikkelingen al dan niet te kunnen laten plaats vinden.
Het biedt hierin mogelijkheden voor de maatschappij om zich te ontwikkelen. Zo kan de ontwikkeling van een plein de samenhang bevorderen alsmede dat het een locatie kan zijn om economisch te ontwikkelen. Door een economische ontwikkeling van dit plein te stimuleren kan zij gaan werken als een aantrekkingspunt voor bezoekers uit andere gebieden van de stede. Hierdoor wordt de leefbaarheid van het voorgestelde plein verhoogd
In sommige gevallen zijn de gebouwen zelf het probleem en is de enige oplossing een architectonische.
Een gebouw kan een negatieve invloed hebben op zijn omgeving, zowel de directe omgeving als in de grotere stedelijke context. Door het ontwerp, of het gebruik, van een specifiek gebouw kan zij zich afsluiten voor haar omgeving. Ze is niet instaat om een relatie aan te gaan met de stedelijke context doordat zij, bijvoorbeeld een blinde gevel richt naar de omgeving. Anderzijds kan het ontwerp, de indeling of materialisatie het gebruik hinderen. In plaats van mogelijkheden te bieden moet er hier gesproken worden over de onmogelijkheden. Deze ontwikkelingen zien we in zogenaamde achterstandswijken waar aan bovenstaande problematiek het lage niveau van onderhoud wordt toegevoegd. Dit lage niveau van onderhoud veroorzaakt de onmogelijkheid om een bepaalde handeling naar behoren te kunnen uitvoeren in dit gedeelte van de bouwkundige ruimte. Een van de strategiexebn om deze (negatieve) ontwikkeling te veranderen is op het niveau van de architectonisch ingreep. Door middel van architectonische elementen worden gebouwen en de stedelijke ruimte voorzien van katalysatoren om bepaalde handelingen te stimuleren alsmede dat er elementen worden ingevoerd die bepaald gebruik tegen gaan, dan wel ontmoedigen.
Dit kan echter ook in tegenovergestelde zin worden gebruikt om de gebruiker af te sluiten en af te zonderen van de maatschappij. Door het inzetten van dezelfde (architectonische) ontwerpmethode en oplossingen is het mogelijk dat een gebouw, en daarmee haar gebruikers, zich afkeert van de omgeving en de context waarin zij zich bevindt. Hierin is er sprake van een bewust afzijdig houden van de maatschappelijke problemen waardoor zij zich op een (schijnbaar) eiland zet. De weigering om actief de maatschappelijke problemen te benaderen is impliciet reageren op deze ontwikkelingen. Het is een directe betrokkenheid ondanks de wens van afzondering.
De architectuur geeft en neemt. Geeft mogelijkheden of onthoudt ze aan de maatschappij. Architectuur is een maatschappelijke factor. Architectuur staat midden in de maatschappij. Midden in het alledaagse en midden in het bijzondere, het sublieme. Het is waar de verschillende aspecten, problemen, principes bij elkaar komen. Waar ze elkaar bexefnvloeden, manipuleren en inspireren. Waaruit gezamenlijke oplossingen worden aangedragen. Architectuur draagt in het ontwerp zorg voor het samenkomen van alle aspecten
Om te komen tot een volwaardige architectuur is het uiteindelijk niet haalbaar dat een afzonderlijk aspect het gehele ontwerp bepaalt. Zelfs wanneer een project ontworpen is vanuit voor een enkel bepaald aspect moeten rekening worden gehouden met andere aspecten, die een onverwachte grote invloed kunnen hebben en die niet altijd direct door het gebouw/ontwerp wordt gecommuniceerd. Hoe de verschillende aspecten op elkander in werken is niet of nauwelijks vast te leggen. Een relatief klein aspect kan grote gevolgen hebben voor het leidend aspect. Op elke moment kunnen de verschillende aspecten worden verwisseld in prioriteit. Hierdoor verandert de invloed die de aspecten op elkander uitoefenen. Deze invloed, die verschilt van moment op moment, is een actief gegeven van architectuur. De verschillende aspecten veranderen door de tijd heen van waarde ten opzichte van elkander alsmede ten opzichte van het ontwerp/gebouw en de gebruiker
Niet alleen in het ontwerpproces maar ook na de oplevering van het gebouw veranderen inzichten hoe een bepaald aspect is verwerkt. Door het gebruik, of verandering van gebruik, kan het programma van een ontwerp veranderen. Door deze verandering zal de waardering van de aspecten verschuiven. Zo is het mogelijk dat door de tijd heen een gewaardeerd gebouw tot een ongewilde locatie verwordt. Waar eens een bepaald aspect in de samenleving hoog werd aangeschreven, bijvoorbeeld de Bijlmermeer te Amsterdam, wordt deze anders gewaardeerd. In de Bijlmer werd een opzet van hoge dichtheid, ruime appartementen gegroepeerd in grote flatgebouwen, omringt door groene gebieden. Dit geheel werd in 1966 gezien als een revolutionair plan dat de toekomst inluidde. Door het gebruik en demografische opbouw van deze wijk kwam men er al snel achter dat het niet zo rooskleurig zou verlopen als men zich had voorgesteld. De bewoners grepen om een andere wijze in op de wijk dan was aangenomen.
De bewoner grijpt in op ‘zijn’ gebouw. Passanten reageren. Andere architecten nemen stelling ten aanziende van een gebouw en geven een, al dan niet gebouwde, reactie. Een gebouw genereert altijd een reactie en reageert op zijn omgeving. Architectuur kan daarom opgevat worden als een reactie op de omgeving en de verwerker van de reactie uit de omgeving.
Historische aspecten van architectuur
Architectuur strekt zich uit van het denken over wat een gebouw betekent en het functioneren van het ontwerp, het bouwen en gebouwd zijn tot het beschouwen van gebouwen, in de historie, wat zij betekenen en hoe zij functioneren, in de breedste zin der betekenis.
We hebben gezien dat verschillende aspecten invloed hebben op architectuur. In de samenstelling van de verschillende aspecten en de uitwerking herkennen we onder andere de stijl, bouwdatum van een gebouw en de maatschappijvisie die ten grondslag ligt aan het ontwerp. Een gebouw is niet alleen een product van een architect of een metselaar, het is een product van zijn tijd. Het gebouw reflecteert denkbeelden die aanwezig zijn in de maatschappij waarin zij is gebouwd. Dit denken gaat uit van een samenhang tussen menselijk handelen en denken. Het duidt zich door het begrip; tijdgeest.
In de gebouwde omgeving ligt het denken besloten Daarnaast ligt in het denken, dat zijn weerslag heeft gevonden in een geschrift, een bouwwijze besloten. Beide beantwoorden daarmee – misschien moet omschreven worden als een richting geven – de vraag; “Wat is architectuur?”, haar positie in de maatschappij en hoe zij wordt uitgeoefend.
Het is de maatschappelijke positie van de architectuur waarvan het een reflectie is. Met welke zienswijze, kennis, de werkelijkheid wordt waargenomen bepaald voor een groot deel de visie ten aanzien van architectuur.
In een van de eerste geschriften die over bouwkunde en architectuur is geschreven, de tien boeken van Vitruvius, ligt de nadruk op de materie van bouwen. Het zijn de feitelijke verhoudingen van de materialen de verbindingen en het bouwproces. Deze nadruk op het fysieke van architectuur speelt een belangrijke rol tot en met de Renaissance. Het is de materie van het gebouw dat de benadrukking is van aardsheid van de mens.
“Gij zijt stof, en tot stof keert gij terug”
In dit kader is een verband te leggen met het denken van Leibniz. Leibniz ziet de ruimte als een coxebxistentie. De objecten staan naast elkaar en maken door de gelijktijdigheid de ruimte.
‘… om een soort definitie te geven: plaats is datgene dat voor A en B gelijk is wanneer de realtie van coxebxistentie van B met C, E, F, G, enz. precies overeenstemt met de relatie van coxebxistentie die A had met dezelfde C, E, F, G, enz., aangenomen dat er geen oorzaak van verandering is opgetreden in C,E,F,G,enz, ..’
In het denken van Vitruvius is dit vergelijkbaar met de aandacht die uitgaat naar de materialen (objecten) waarvan een gebouw is gemaakt. Het zijn de verschillende materialen die het gebouw tot stand brengen. Het samenvoegen en de gelijktijdigheid van de materialen maakt een gebouw. Architectuur is van uit dit opzicht een solide gegeven. Zij is voor eeuwig en altijd. Ze is gericht op de mens. Hierin vindt het denken dat architectuur het samenvoegen is materialen haar grondslag. Door het innemen van deze stelling komt een van de belangrijkste architectuurdiscussies op gang; een gebouw is materie of is ruimte. Een discussie die in alle heftigheid gevoerd is in de 20ste eeuw en nog steeds niet is uitgeraasd.
Rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw beginnen deze denkbeelden te veranderen, zowel in de filosofie als in de natuurkunde. Einsteins relativiteitstheorie veranderd het denken als vaststaande kollos naar een wereld continu in beweging.
‘The method of cartesian co-ordinates must … be discarded, and replaced by another wich does not assume the validity of Euclidean geometry for rigid bodie.’
Een andere natuurkundige ontwikkeling, uit dezelfde periode, is de quantummechanica die de onzekerheid introduceert. We zijn niet langer in staat om te duiden zonder dat wat we duiden te bexefnvloeden. Dit heeft zijn weerslag in de architectuur.
Het raumplan van Adolf Loos is een introductie van continu bewegen dat tot uiting komt in de ordening van het van-kamer-naar-kamer-gaan. Er is geen sprake van een direct verheffen van het ene woonvlak naar het andere. De verbindingen tussen de kamers impliceert een continue actie en definieert daarmee (de) ruimte. Het huis als solide blok, het als een geheel zijn, wordt opgeheven. De bewoner verblijft in bepaalde gedeelten van het huis om vervolgens door te gaan naar een ander gedeelte. Hij verblijft niet meer in het huis als geheel. Het is een nomade in het eigen huis.
Wanneer bijvoorbeeld huis Mxfcller, gebouwd in 1929, van Adolf Loos in ogenschouw wordt genomen is een van de opvallende aspecten de ruimtelijke opbouw van de vertrekken die in relatie staan door middel van visuele connecties. Het geeft aan dat een bewoner slecht tijdelijk in een van de vertrekken verblijft. Het is een pauze in zijn route door het huis. Hij verblijft in het vertrek maar heeft zijn oog gericht op zijn volgende en vorige verblijfsvertrek.
Tekening door: Paul Klee
Op een zelfde wijze zijn de tekeningen in het “Pedagogical Sketchbook”, van Paul Klee, continu in beweging zijn. Beide gaan niet meer uit van stilstaand behangen met decoratie maar zijn in primaire beweging en uitgekleed.
Een van de grootste stemmen in de architectuur die zich in dit koor van de ruimtebejubeling schaarde was Le Corbusier. In geschrift zowel als gebouw is hij een groot voorbeeld geworden om de architectuur zich te laten concentreren op ruimte. In Vers Une Architecture , gebubliceerd in 1923, beschouwd hij de ruimte als een van de belangrijkste elementen . Door dit te stellen maakt hij het mogelijk om te denken wat zich tussen muren bevinden zonder de muren zelf te denken. Een uitwerking van dit denken is onder andere de ‘route architecturale’, die primair is gericht op de ooghoogte te verheffen waardoor men zich bewust wordt van het zijn in ruimte. Op een zelfde wijze geven de muren worden geplaatst die scheiden maar niet dragen een uiting van dit ruimtelijk denken. Beide aspecten hebben hun weg gevonden in ontwerp van Villa Savoye (1928/30).
Dit denken in ruimte ontwikkelen zich voornamelijk in het interbellum. Na de verwoestingen die WOII door geheel Europa heeft gezaaid is er een behoefte naar een voortvarende herstel van al dat wat is vernield. Het ruimte-continu denken dat gekenmerkt wordt door zijn positieve houding ten aanziende van de maatschappij lijkt hiervoor de beste papieren in huis te hebben. Ze is immers nauw verbonden met de gedachte dat de maatschappij maakbaar is.
De snelheid die wordt gevraagd, en afgedwongen, door de wederopbouw stagneerde de verdere ontwikkeling van dit ruimte-continu denken. De ideexebn worden klakkeloos en fantasieloos toegepast. Er wordt wel gebruik gemaakt van de woorden en materialen, maar er wordt niet doorgedrongen tot de achtergrond van de ideexebn en de geest van de gedachten.
Een van de mensen die als eerste kanttekeningen plaatst bij dit ruimte-continu denken, of te wel het modernisme, is Siegfried Giedion. In het in 1941 gepubliceerde “Space, time and architecture” geeft hij nog een uiteenzetting die de positieve kanten benadrukt van het modernisme. Een ander beeld komt te voorschijn in de drie jaar later gepubliceerde brochure “The need for a new monumentality”.
De brochure richt zich op de primaire behoeften, zoals geborgenheid en lichamelijkheid, van de mens. Het argument dat wordt gemaakt is dat het gedachtengoed van het modernisme zich heeft ontdaan van deze primaire menselijke behoeften. De mens die het gebouw en de stad bewoont is een verblijver in kunstwerk geworden. Hij kan zich nergens meer een thuis maken.
Een gelijksoortige kritiek uit Colin Rowe in 1984 in “Collagecity”. Hij stelt een stad voor waarin verschillende elementen samen komen. In feite concentreert hij zich op hoe de renaissance stad is opgebouwd. De analyse concentreert zich op het materiaal waarmee is gebouwd en de vorm van de ontwerpoplossingen. Op een zelfde wijze dat Habraken, in ‘the Structure of the Ordinary’, de gebouwde omgeving ontleedt in haar onderdelen.
Wat centraal staan in deze vorm van denken in de materialisatie van het gebouw. Het is de benadrukking van het fysieke aanwezige, de directe locatie en het menselijk handelen. Het zijn van de mens staat centraal. Dit is een directe verwijzing naar Martin Heidegger die het wonen beschouwd als de wijze waarop de stervelingen op de aarde zijn. Het is het beschouwen waar de mens is als hij woont. Een andere denker die hierbij aansluit in Henri Lefebvre. In ‘La production de l’espace’ beschrijft hij de ruimte als bestaande uit een drie typen; de praktische ruimte, waarin de mens handelt, de ruimte van het teken, waarin de machtssymbolen domineren, en de getekende ruimte, waarin sprake is van een eigen culturele ontwikkeling, bijvoorbeeld het in de jaren zeventig gekraakte dorp Ruigoord. Deze vorm van denken richt zich op het menselijk handelen waardoor ze de ruimte definixebren. Het is daarmee gericht op de lichamelijkheid en de materialen van het bouwen. Hij zijn de materiele uitingen die het mogelijk maken om deze lichamelijkheid te identificeren.
De twee uitgangsposities, architectuur ontstaat van uit ruimte en de materialen maken architectuur en de ruimte, omvatten de gehele discussie die over (20ste eeuwse) architectuur is te voeren. Deze twee polen staan, misschien schijnbaar, recht tegenover elkaar. Ze vormen samen een twistend huwelijk waarvan de een de ander, uiteindelijk, zal moeten toegeven dat beide uitgangspunten onderdeel zijn van architectuur. Het verschil in interpretatie levert niet alleen een geheel andere vormgeving, maar wat belangrijker is: zij staan voor een ander ontwerpstrategie en interpretatie van de ontwerpopgave. Beide werk- en denkwijzen zijn er echter wel op gericht om het andere uitgangspunt van architectuur te incorporeren in het uiteindelijke ontwerp. Het behoeft weinig argumentatie dat er hiermee een groot conflict ontstaat.
Het onderdeel van elkaar zijn wordt van uit een monolithische stellingname benaderd, of van uit ruimte of van uit de materialen, en zal streven naar een machtsverhouding waarbij de ander wordt gedomineerd. Door van uit een specifiek standpunt het probleem te benaderen zal dat het leidend motief zijn voor het concept waarmee een gebouw wordt ontworpen. Het andere aspect zal dan slecht tweede viool spelen. Hierdoor kan er geen sprake zijn van een onderdeel zijn van elkaar.
Het zou betekenen dat de jing en de jang, van een jing-jangsymbool, in elkander zouden smelten. Wanneer het zwart wit wil zijn, of vice versa, wordt het symbool opgeheven. Er is opdat moment geen samensmelting maar een overname. Dit is tekenend voor het conflict.Het dogma van het concept, als vaststaand gegeven, vormt hier eerder een strijdbijl dan een vredespijp.
Een van de architectonische denkers die zich een weg uit deze kritiek probeert te denken is Norberg- Schulz. In ‘Existence, space & architecture’ koppelt hij het denken in ruimte aan de gedachte van de ‘genius-loci’.In het voorwoord wordt geconstateerd dat ‘Totnogtoe … de discussie over architekturale ruimte beheerst (red; wordt) door naxefef realisme,onder het mom van studies over “architekturale perceptie” of drie-dimensionele geometrische benaderingen. In beide gevallen wordt het fundamenteel probleem van de ruimte als een dimensie van het menselijk bestaan verwaarloosd.’ De doelstelling is om van uit het ruimteconcept de menselijke omgeving te analyseren waarbij hij steunt op een theorie van ‘existentixeble ruimte’. Deze existentie ruimte bestaat uit elementen, centrum & plaats, richting & pad, gebied & domein en de elementaire interakties, en uit niveaus, geografie, landschap, het stedelijk niveau, het huis, het ding en de interaktie tussen de niveaus. Door een differentiatie aan te brengen in het handelen van mensen kunnen gebieden worden herkent. Met dit systeem in gedachte wordt de architekturale ruimte gedefinieerd in elementen, plaats & knooppunt, pad & as en domein & distrikt, en niveaus, landschap, het stedelijk niveau en het huis. Hij sluit aan bij de directe leefomgeving van de mens om tot een ontwerp te komen. Hierin staat de lichamelijkheid van de mens centraal om zich te kunnen orixebnteren in het in-de-wereld-zijn. ‘De wereldbruger heeft ZIJN plaats in de totaliteit, maar door te erkennen en te herkennen dat dit een element is in een grotere kontekst, wordt al het andere de voortzetting van zijn eigen existentixeble ruimte.’ Dit sluit aan bij een architectuur die van uit de lichamelijkheid, het materiaal van het bouwen, en met materiaal, de materie van het bouwen, de ruimtelijkheid in zich bergt.
Een andere architectonische denker die dit probleem, de schijnbare tegenstelling tussen het denken in ruimte en het denken van uit materialen, heeft benaderd is Dom Hans van der Laan.
Zijn denken is gebaseerd op het waarnemen van de gebouwde omgeving en de wijze dat de mens onderscheidt maakt tussen de elementen.
‘Levenloze dingen die zich niet kunnen bewegen, schijnen slechts de ruimte op te eisen die zij door hun materie innemen. In werkelijkheid echter staan zij in betrekking tot de gehele ruimte. … Door ons stoffelijke bestaan delen wij in dezelfde conditie.’
Aan de ene kant staat de mens zelf centraal en daarmee is zij gericht op de materie. Anderzijds is het waarneming van de wereld die wordt waargenomen door de mens en heeft (de) ruimte als achterliggend denkpatroon.
‘Op … drie niveaus (red: het stoffelijke bestaan, het levende en het verstand) van ons bestaan komen wij met het ruimtelijk gegeven der natuur in aanraking.’
Door een systematische analyse voegt hij beide aspecten samen in een maatsysteem dat uitgaat van drie-dimensionale verhoudingen. Dit systeem, het plastisch getal, vormt in zijn denken/ontwerpen een onderlegger om te komen tot een gebouw. Hierbij moet worden opgemerkt dat het de lichamelijkheid van de mens het uitgangspunt is en blijft. De relatie met de ruimte komt tot stand via de lichamelijkheid van de mens. Het maatsysteem is afgeleid van het standpunt van de mens in zijn omgeving, haar waarneming en haar relatie tot de materie.
De constatering van zowel v/d Laan als Norberg-Schulz dat de materie en (de) ruimte onderdeel uitmaken van architectuur leidt niet tot de ontrafeling van de gordiaanse knoop. Door het gelijkwaardig stellen van materie en ruimte kan geen uitgangspositie worden gekozen om tot ontwerp te komen. De positie die beide denkers innemen is het centraal zetten van de mens in de gebouwde omgeving. Dit denken, dat gericht is op waarnemingen en handelingen van het individu, is typerend waarop in de jaren 70, van de 20ste eeuw, is ontworpen.
Vanaf midden jaren tachtig begint een weerstand te groeien tegen dit denken in materialen en de directe koppeling naar de handelingen van het individu. Een van de grootste kritieken is de hoge mate van het verweven van neo-romantische vormtaal in de architectuur, zoals bijvoorbeeld architraven, pilasters en zuilengalerijen. Het gebruik van deze architectonische elementen houdt een terugverlangen in. Het verlangt naar het verloren arcadixeb. Het wordt gezien als een vals historisch besef, daar zij zich krampachtig de tijd blijft herinneren van de omsloten stad maar niet instaat is om de schaal vergroting in het stedelijke gebied aan te pakken. De schaalvergroting wordt genegeerd in plaats van dat ze worden onderkend. Dit komt onder andere naar voren in ‘Delerious New York’ van Rem Koolhaas. De focus komt te liggen op de problematiek van congestie en stedelijk omgeving als een geheel. Er wordt gepleit voor een strategie die uitgaat van bestaande, grootschalige ontwikkelingen tegen over het kleinschalige denken in individuen. Het zet zich daarmee af tegen het centraal zetten van de handelingen van het individu in de architectuur en plaatst daartegenover het denken in handelingen van groepen mensen.’
In de jaren negentig van de vorige eeuw krijgt de focus op de materialen waarmee is gebouwd nog een andere, gebouwde, kritiek. In de ontwerpen van bijvoorbeeld Kas Oosterhuis en Greg Lynn wordt het materiaal zo gemanipuleerd dat zij als ondergeschikt moet worden beschouwd. De materialen zijn dienend aan het ontwerp. De ontwerpen richten zich primair op de ontwikkeling, articulering van (de) ruimte. In de architectonische gebouwde discussie zijn deze architecten/ontwerpers te plaatsen in de lijn van de modernisten. Wat van uit de modernen in gang is gezet, krijgt een vervolg in deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling neemt hier in ambivalentie houding aan. In navolging van het modernisme wordt er extrovert en collectief gedacht. Dit komt tot uiting in de interne ordeningen van de ontworpen gebouwen. Hierbij wordt uitgegaan hoe bezoekers, als geheel, zich door een structuur/ gebouw begeven. Het volstaat met het constelleren van behoefte-afstanden en deze op een directe wijze communiceren.
Deze ontwikkeling heeft parallellen met het ontstaan van de massacommunicatiemiddelen, zoals internet, e-mail en databases, die hier niet alleen een ontwerpmetafoor zijn maar tevens een ontwerpgereedschap. Van uit een veelheid aan informatie wordt een samenstelling gemaakt om tot een ontwerp te komen.
Haar ambivalente houding komt naar voren doordat de ontwerpen introvert en individueel. In de vormgeving is geen manier ontwikkeld om in te kunnen spelen op andere ontwikkelingen/gedachten.
Waarin het modernisme een poging wordt ondernomen om ideexebn aan te laten sluiten bij de maatschappij staat materialisatie van deze ontwerpen haaks op de omgeving en de maatschappij. De aanwezigheid van het ontwerp zelf moet genoeg zijn om een interactie aan te gaan met zijn omgeving. De ontwikkeling van het ontwerp vindt plaats binnen een vastgesteld kader, een exacte locatie, waar niet buiten wordt getreden.
De ideexebn van deze architecten zijn voor een groot deel gexefnspireerd en gebaseerd op het werk van Gille Deleuze en Felix Guattari.
‘Kenmerkend voor het denken van Deulze & Guattari is dat het een ‘nomadische’ manier van denken is; een denken dat altijd in beweging is, stromend, vluchtend. Het denken van Deleuze & Guattari is dan ook uitgesproken ruimtelijk; “thinking takes place in the relationship of territory and the earth” Voorbeelden van de ruimtelijke concepten die Deleuze & Guattari behandelen zijn de rizoom, het vlak, de vouw, de (vlucht)lijn, gladde en gegroefde ruimte. Naast de ruimtelijke dimensie speelt ook tijd een belangrijke rol, zoals bij gebeuren* (event) en duur (duration), en is veelal onscheidbaar van de ruimtelijke dimensie.’
Het is de focus op de ruimte en het zien wat dit betekent dat de uitgangspositie vormt voor het vormgegeven in architectuur. Het gebouw is in eerste instantie een ruimtelijke constellatie waarin de gebruiker/bewoners door middel van handelingen een weg maken.
De ontwerpgedachte is dat de architectuur zich dienend opstelt. De architectuur maakt het immers mogelijk dat we een gebouw kunnen betreden. Het gebouw wordt bepaald door de algemene (verwachtte) handelingen, waarna om deze handelingsruimten de materialisatie wordt geplooid.
Ze legt vast. Het mogelijk maken van een bepaalde handeling is het tegenwerken van een andere handeling. Vol overgave wordt de gefaciliteerde handeling omgezet in de materialisatie. De materialisatie van de handeling is een dunne schil, fysiek en als ontwerpuitgangspunt, maar er kan en mag niet aan worden getoornd. Het is een esthetische demarcatielijn.
Hierin is ze te vergelijken met de toneelinrichting van de film ‘Dogville’ van Lars van Trier. Met lijnen op de toneel/filmvloer is het dxe9cor uitgetekend. Onvoorbiddelijk zijn deze afbakingen voor de acteurs. De kijker van de film ziet dwars door het dxe9cor heen en ziet alleen het spel van de acteurs.
Het laatste argument betekent dat deze stroming ingedeeld kan worden als denkend van uit het materiaal. Hoewel het denken wordt gestart van uit een idee over ruimte wordt haar esthetiek bepaald door de materialisatie.
Dat in deze ontwerpen gebruik wordt gemaakt van verschillende software-pakketen is slechts een wijze om dit architectonisch denken te kunnen realiseren. Het is niet de oorzaak van deze vormgeving. De computer schept allen de mogelijkheid om tot een dergelijke vormgeving te komen.
Een andere denker die invloed heeft op de hedendaagse architectuur is Peter Sloterdijk. In zijn werk staan de maatschappelijke verworvenheden en ontwikkelingen centraal vanuit een breed perspectief. Hierin worden verbindingen gelegd tussen zowel de maatschappij als geheel als de handelingen van de mens, gebruiker, consument.Voor de architectuur is voornamelijk van belang hoe hij de positie denkt van de handelende mens.
In ‘Eurotaoisme’ haakt hij in op het denken van de futuristen gecombineerd met een kritiek die vergelijkbaar is met die van o.a Ernst Jxfcnger in ‘Die totale mobilmachung’ en Oswald Spengler in ‘De mensch en de techniek’ . De westerse mens bevindt zich in de versnelling van de technologische ontwikkelingen en moet, behalve accepteren, de romantische blik gericht op het verleden afleggen en in de huidige wereld gaan leven.
Een belangrijke rol in de beschrijving van versnelling van de maatschappelijke processen is de hekeling van het civilisatieproces. Het civilisatieproces beziet hij als een verlangen naar een toekomst die niet zal komen. Het remt de mogelijkheid af om in het heden te leven.
Eurotaisme schets een mens die ontheemd is. Hij kent geen eigen plek meer en weet geen plek te maken in de wereld waarin hij leeft. Sloterdijk pleit hier niet in om terug te keren naar romanitische maatschappij waarin ieder zijn eigen benauwde claustrofobische plek heeft. Hij ziet de mens leven in een vooruitdenderende maatschappij waarin zonder verlangen de historie kan worden bezien.
Dit speelt wederom in de trilogie ,Spxe4hren , het magnum opus van Sloterdijk. Hij beschouwd het menselijk leven in zijn geheelheid. Van de sfeer van de baarmoeder, naar de sfeer (bol) van de aarde tot het schuim van bestaan van de hedendaagse mens. Het opgebouwd zijn uit kleine sferen, bubbels, van kennis, kennissen, handelingen en zijn. Het is daarin niet de vraag naar het zijn van de mens maar waar dat zijn zich bevindt. Het is hierin geen alomvattend hixebrarchisch denken, dat veel architecten in het verleden zo heeft bekoord. Het is een samenstelling van verschillende onderdelen ongeacht de gelijkvormigheid en/of diepgang.
Dit denken weerspiegelt de twijfel waarin de architectuur (van de 20ste eeuw) zich heeft gepositioneerd. Het is de euforie van ontwerpen die alles ruimtelijk denken. Het ontwerp ontwikkelt zich ruimtelijk vanuit denkbeelden en wordt virtueel gerepresenteerd.
Het heeft de schijn van een materiaal maar bestaat slechts uit non-dimensionalen lijnen die worden gepositioneerd in een werkelijkheid waarvan we per definitie weten dat zij niet toegankelijk is voor de menselijke handeling. Slechts door middel van de techniek is ze ontsluitbaar.
Het ontwerp is een samenbrengen van virtuele ideexebn tot een idee van een gebouw. Waarin de voorgestelde ontwerpoplossing op zichzelf staand is. Hierin is het ontwerp niet gericht op context. Het ontwerp is als een individu gericht op het zelf. De eigen beperkte sfeer van (be)leven. De directe betrokkenheid van het gebouw ligt bij het zelf, een ontworpen autisme. Het ontwerp positioneert zich als een enkel belletje van het schuim.
Anderzijds geeft deze theorie voeding aan de andere wijze van denken dat zich meer richt op de locatie. Zij is hiermee verwant aan het denken van Heidegger. De locatie, in het bouwen van een brug, verzamelt en richt in. Hierin zijn het de handelingen van een mens die de locatie maken. Het denken van de handeling kenmerkt zich door zijn eigen ruimtebehoeften. Deze behoeften worden geconcretiseerd in een materiaal. Ze zijn bepaald in het materiaal. Het materiaal bepaalt de mogelijkheid om de behoeften te kunnen concretiseren. Vanuit het materiaal wordt de vorm bepaald zoals het opeenstapelen van de bellen van het schuim. In het materiaal ligt de vorm besloten van het ontworpene.
De vorm van het ontworpene wordt bepaald door de eigen karakteristiek die wordt gecommuniceerd in de vormtaal.. Dit is vergelijkbaar met handelingen van afzonderlijke mensen die zijn gegroepeerd tot een maatschappelijke groep. Hoewel de afzonderlijke handeling gekenmerkt wordt door het eigen van het individu, hij wordt hier in gekend, behoort het tevens toe aan het handelen van de groep. Het handelen van de groep maakt de afzonderlijke handeling kenbaar als onderdeel zijnde van de groep. Een voorbeeld van dit ‘onderdeel-zijn-van’ is een bedrijfscultuur. Hierin zijn bepaalde gewoonten verankerd die niet specifiek zijn toe te schrijven aan een enkel individu.
Beide interpretaties, Architectuurrichtingen, waarin enerzijds het materiaal en anderzijds de ruimte centraal wordt gezet, zouden kunnen leiden tot het onbeantwoordbaar maken van de vraag; “Wat is architectuur?”. De beide opvattingen hebben een (schijnbare) tegenovergesteld redenatie wijze. Ze nemen een gebouw van uit een specifiek gedachtegoed waar. Het wordt door een bepaalde bril bekeken en zijn daarmee bevooroordeeld.
Dit wil niet zeggen dat ze vooringenomen zijn. Het is het waarnemen van een gebouw, de werkelijkheid, vanuit een specifiek gezichtspunt. Het is zoals een loodgieter een gebouw in eerste instantie kan beschouwen als een verzameling rioleringsbuizen. Het geeft daarmee een zienswijze aan van wat architectuur is of zou kunnen zijn. Beide gezichtspunten overlappen elkander in de basisvraag; “Wat is architectuur?”. De stellingen ontwikkelen inzichten in de architectuur waardoor een specifieke insteek ten aanziende van de architectuur het gevolg is en waar de andere stelling in is opgenomen.
Het feitelijke gebouw/ontwerp vormt hierin een samenbindende en vergelijkende factor. De (maatschappij-)visie en interpretatie van de werkelijkheid van de architect/ontwerper bepaald de wijze waarop de functies, materialen, verhoudingen etc. zijn gerangschikt. Hier staat tegenover dat de (rang)schikking van de gebouwonderdelen en de behandeling van het materiaal bepalend zijn voor het denken door de architect/ontwerper.
Los van de elementen is er een relatie met de mens/gebruiker. Waar bevindt de gebruiker zich in of ten opzichte van het object (gebouw). Is het een onderdeel-zijn van het gebouw? Het verweven-zijn met het geheel van de werkelijkheid? Het is (de) ruimte waarin de mens/gebruiker handelingen verricht. Beide architectuurrichtingen nemen een positie in ten opzichte van (de) ruimte.
Ze nemen beide in al hun gedaanten hierop stelling in om de handelingen van de bewoner te positioneren.
Waarbij de ene stelling ruimte als centraal thema aangemerkt, waarnaar de materialen zich voegen. De materialen staan in de ruimte. De mens/gebruiker is onderdeel van de gehele ruimte. Hij beweegt zich niet alleen door ruimte, hij is er onderdeel van.
De andere stelling definieert de ruimte als leidend gegeven. Door materiaal te plaatsen, dat afmetingen heeft en daardoor ruimte definieert, dan wel inneemt, worden tussen en door de materialen de ruimte gemaakt of bepaald. De mens/gebruiker bepaald de ruimte. Door de lichamelijkheid van de mens/gebruiker is er een directe betrokkenheid bij het materiaal waaruit het gebouw is opgetrokken. Het lichamelijke, zowel van de mens/gebruiker als van het gebouw, omsluiten en definieert de ruimte.
Om tot een benoemen te komen wat de kern is in de vraag; “Wat is architectuur?” wordt ze eerst opgerekt naar de vraag; “Wat is bouwkunde?”. Binnen de eigen faculteit Bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven hebben verschillende docenten en professoren door de jaren heen een beschrijving geven van het antwoord op deze vraag. Een belangrijk document in deze discussie, dat een groot aantal verschillende concepten heeft gebundeld, is ‘Bouwstenen 25 – Concepten van de Bouwkunde’ .
De heer Daru zegt hier in: ‘Vanuit de esthetiek zijn tenminste een drietal vormbegrippen tot ontwikkeling gebracht: de ruimtelijke vorm, de uiterlijke vorm en de begrensde vorm’.
Kijken naar het verleden kan gesteld worden dat de bouwkunde en daarmee ‘het milieu-concept een geschiedenis heeft, die terug gaat tot op de eerste bouwdaad, die tot doel had territorium en/of ruimte af te bakenen, teneinde … te kunnen wonen’. zoals de heer Smid het formuleerd.
Daarnaast staat een uitvoeringsconcept dat concludeert ‘het resultaat van alle activiteiten in het bouwproces is het bouwwerk of gebouw. Dit gebouw bestaat uit ruimte en massa’.
De bouwtechniek zegt het stelliger: ‘… een gebouw bestaat in … concept uit ruimte en de materie die de ruimte vormt’.
Van uit de installatietechniek wordt gekeken naar de impact van deze ruimtevorming.
‘Elke beslissing betreffende het gebouw heeft invloed op het ontwerp van de benodigde installatie en omgekeerd, daar de grootte van deze installatie van invloed is op de benodigde plaatsruimte’.
Om deze plaatsruimte mogelijk te maken stelt de heer Henket; ‘In de afbouwtechniek houden we ons bezig met het samenvoegen van materialen tot zowel ruimte-vormende als ruimte-conditionerende bouwdelen.”
Kijkend naar het geheel van uit een bouwfysisch standpunt wordt geconstateerd;. ‘Gebouwen hebben als primaire functie ruimte te omsluiten om een omgeving te maken die geschikt is voor menselijk activiteiten. Dit op zijn beurt opent de mogelijkheid om beschutte en comfortabele ruimten rond gebouwen te maken.
De psychologie stelt de mens zelf centraal in de bouwkunde door te zeggen: ‘Voor hen (red: de gebruikers) gaat het van gebouw als massa, naar de verkeersstructuur, de ruimte en plaatselijke condities’.
Vanuit de ontwerpleer sluit de heer Boekholt hier op aan als hij stelt: ‘Bij het bestuderen van de relatie tussen ruimtelijke elementen en de fysieke aspecten van menselijk gedrag wordt de mens beschouwd als een ruimtelijk object, dat bepaalde afmetingen heeft, een bepaalde hoeveelheid ruimte inneemt en bepaalde bewegingen kan maken.’ Om deze bewegingen mogelijk te maken zegt hij: ‘… het gebouw wordt gezien als een aantal structuren op verschillende ruimtelijke niveaus, waarbinnen variatie kan plaatsvinden.’
Aansluitend op het centraal zetten van het gebouw maar dan gezien van een vormconcept; ‘Het gebouw heeft als fundamenteel doel het crexebren van een binnen ten opzichte van buiten. In het begin was buiten toevallig natuur, natuurlijke ruimte met natuur-afmetingen. Het binnen heeft door de mens gekozen afmetingen. Dit binnen ontstaat in de ontmoeting van maatgeven ruimte en vormgegeven materie. Tussen deze twee elementen komt een onontkoombare eenheid van driemensionale aard tot stand: een ruimtelijke eenheid.’
Om te kunnen werken in deze ruimtelijke eenheid stelt de heer Bax een ordeningsprincipe voor; ‘Het Generic Grid (red: dat) gaat uit van een hixebrarchische geleding van ruimtelijke objecten in niveaus, die elk gekenmerkt worden door voor dat niveau kenmerkende ruimtelijke elementen en die gemeten worden in voor dat niveau kenmerkende modulen.’
Dit ordeningsprincipe bouwt voort op het denken van zijn voorganger Habraken zoals hij dat verwoorde bij zijn afscheid van de Technische Hogeschool Eindhoven in 1975; ‘Men kan de gebouwde omgeving beschouwen als een verschijnsel samengesteld uit ruimte-volumes en materiaal volumes van allerlei soort, vorm en afmeting die zich in een eindeloze verscheidenheid van combinaties voordoen.’
Formeel resulteert dit ‘In de EG-architectuurtaxonomie … (red: waarin het) beheersconcept te beschouwen (red: is) als een “hybride” concept dat op het niveau van het ruimtelijk concept de temporele dimensie verbindt met de functionele dimensie.’
De heer Trum spreekt over een vergelijkbaar definitie; ‘Bouwkundige normen vervullen … een brugfunctie tussen de wereld van de mensen en de wereld van de ruimte. Ze schrijven voor waaraan ruimtelijke zaken moeten voldoen, willen deze als middel bruikbaar zijn voor het bereiken van doelen die mensen zich hebben gesteld op grond van allerlei behoeften.’
Dit staat niet ver af van de idee van de heer Post wanneer hij zijn eigen vakgebied defineert als; ‘Het vak bouwtechniek is … de techniek van het bouwen, het technisch realiseren van een ruimtelijke omgeving’.
Terugkijkend naar bovenstaande citaten komt een concluderende vraag aan het licht. De heer Apon formuleert deze in zijn afscheidsrede; ‘… de vraag (red: is) of het maken van architectuur niet alles en uitsluitend heeft te maken met de manier waarop we ruimte bepalen en het in bepaalde verhoudingen met elkaar in verband brengen van ruimten tot het maken van ruimtelijkheid.
Deze stellingname wordt in de taxonomie van de heer Bax in ‘Bouwstenen 25′ uitgebreid naar de gehele bouwkunde wanneer hij schrijft; ‘… elk concept (red: kent) zijn eigen zijn eigen onderscheid in ruimtelijke categoriexebn.’ of zoals hij het formuleert bij zijn aantreden als hoogleraar; ‘Het vak bouwkunde houdt zich in wezen bezig met het ruimtelijk ordenen.
Opvallend is dat in de verschillende citaten uit verschillende disciplines van de bouwkunde en architectuur niet om de begrippen ruimte en ruimtelijkheid heen kan worden gedraaid. Hierin ligt een zekere overeenstemming binnen het vakgebied. Er wordt telkenmale een positie, mening, interpretatie, zienswijze ten aanziende van (de) ruimte geformuleerd. Architectuur is hier uit te definixebren als dat het te maken heeft met (de) ruimte. Zo moet ook de kern van de vraag; ‘Wat is architectuur?’ worden gelezen. Het is (de) ruimte die zich duidt in architectuur en door architectuur wordt geduid.
De waarneming van architectuur
of
hoe in contact te komen met architectuur
Geconcludeerd is dat het denken over (de) ruimte centraal staat in architectuur. Op welke wijze komt deze kern tot uiting in architectuur. Architectuur richt zich voor een groot deel op het waargenomen beeld. Het kan hierbij gaan om een schets, een werktekening, gebouw of mentale (beeldende) abstractie.
Deze verschillende uitingen zijn direct verbonden met het realiseren van een ontwerp. De uiting is een voorstelling hoe een ontwerp zich in (de)ruimte manifesteerd. Door een dergelijke voorstelling in relatie te brengen met onszelf, de mens/gebruiker, komen we tot het waarnemen van architectuur. Dit waarnemen is een dubbelzijdig proces.
Het is het waarnemen van het waargenomenen. De architectuuruiting krijgt betekenis door dat het beeld wat wordt ontvangen in een context te plaatsen. De context die wordt gerealiseerd door de bevooroordeelde waarneming van de mens. De waarneming is bevooroordeeld doordat de mens niet in staat is tot het weten van alles. Er is een gedeelte van alle kennis aanwezig waarin het beeld wordt waargenomen. Het beeld van de waarneming, dat daardoor kennis genereert, wordt afgemeten aan de bestaande kennis. Het is het referentiekader waaraan het beeld is onderworpen. Vanuit het reeds bestaande wordt de waarneming van architectuur getoetst. Zij geeft van daar uit de mogelijkheid van architectuur te herkennen, haar op de waarde te schatten en haar te plaatsen in een breder kader. Door kennis te nemen van architectuuruitingen wordt architectuur in het kader geplaatst van de voorhanden zijnde kennis en vindt daarmee zijn inbedding in de cultuur.
Naast het feit dat de verschillende uitingen worden waargenomen geven de uitingen de mogelijkheid om waargenomen te kunnen worden. De uitingen zijn dat wat wordt gezien en genereren daarmee architectuur. Het is de architectonische kennis die wordt verspreid door de objecten/ontwerpen zelf. Ze zijn dat wat in het object/ontwerp aanwezig is dat kan worden waargenomen. Het object/ontwerp neemt een eigen positie in ten opzichte van (de) ruimte. Het communiceert een visie ten aanziende van (de) ruimte die onbevooroordeeld is door vooringenomen kennis. Hierdoor is het mogelijk dat er ten aanziende van een architectuuruiting verschillende meningen kunnen worden gevormd. In eerste instantie ligt dit meningsverschil niet in de onduidelijkheid van de architectuuruiting, hoewel dit niet per definitie is uit te sluiten. Het meningsverschil ligt in de kennis waarmee het object/ontwerp wordt waargenomen.
In het waarnemen liggen deze twee waarnemingswijzen schijnbaar tegenover elkaar. Dit is echter niet wat er wordt beweerd. Het zijn een tweetal invalshoeken waaruit wordt waargenomen, dan wel waaruit de waarneming tot stand komt. Ze staan hierin niet direct tegenover elkaar. Ze vullen elkaar aan. Om tot een totale waarneming te komen moeten deze twee waarnemingswijzen worden gecombineerd. De combinatie maakt het geheel van de totale waarneming. De waarneming waarin de waarheid zijn gestalte krijgt.
Om te komen tot een waarneming van architectuur moet deze twee invalshoeken worden gecombineerd om tot een uitspraak te komen. Het waarnemen van de architectuur door de mens is niet louter een objectieve gebeurtenis. De mens staat te midden van de architectuur. Het is waarnemen door het gebruik van architectuur. Het is de gebruiker die waarneemt en tegelijkertijd onderdeel uitmaakt van het gebouw.
Een gebouw is onderdeel van de publieke (openbare) ruimte en al dan niet toevallige voorbijgangers zullen het gebouw gebruiken in hun waarneming, die zij bewust of onbewust uitvoeren. Daarnaast is er het spontane gebruik van een gebouwde omgeving. Een gebruik waar niet direct rekening mee is gehouden op het moment van het ontwerp. Dit spontane gebruik wordt op verschillende wijze gewaardeerd. Deze waardering hangt af van de context van het gebouw. Enerzijds zal het worden aangemerkt als ongewenst gedrag wanneer er een te groot verschil zit tussen het vooropgezette idee over het gebruiken en het spontane gebruik. Anderzijds kan spontaan gebruik resulteren in een katalysator voor meervoudig gebruik van een ruimte. Het wordt in die zin als positief aangemerkt.
Beide gevallen beschrijven de directe invloed van de waarneming van de gebruiker/mens op zijn omgeving en architectuur. De gebruiker is instaat om gewaardeerde architectuur, in vakkringen, om zeep te helpen alsmede dat zij een sociale, leefbare situatie kan crexebren in een gebouwde omgeving die niet tot minder wordt gewaardeerd in het architectonische vakgebied.
Architectuur is daarom niet alleen het faciliteren van een gebruik maar het mogelijk maken dat de gebruiker gebruik kan maken van architectuur. Hierin is het niet alleen het functioneel pragmatische maar tevens de vrijheid die een gebruiker heeft om een gebruiksfunctie te introduceren die niet strikt van tevoren is vastgelegd.
De wijze van gebruik is een onderdeel van de waarneming. Vanuit de waarneming komt een waardering voort van wat wordt waargenomen, in dit geval een gedeelte van de gebouwde omgeving. Door waarderen zal een bepaald gebruik mogelijk zijn van uit de optiek van de waarnemer.
Wat hierbij een rol speelt is de materialisatie van het gebouw en de lichamelijkheid van de mens/gebruiker, dat op te vatten is de materialisatie van de menselijkheid. Een gebouw heeft een bepaalde mate van materialisatie. Er is op een bepaalde manier gekeken hoe vorm en concept konden worden gerealiseerd. Het geeft aan hoe de mogelijkheid van het gebruik is geordend.
Het gebruik is niet opgesloten tussen de materialen; het is onderdeel van het materiaal. Het gebruik is een handeling van de mens. De mens is een lichamelijkheid in existentie en uitgebreidheid. Het gebruik is daarom lichamelijk.
Er is sprake van een gelijktijdigheid in materialisatie. Het is rekening houden met de existentie en de uitgebreidheid van het menselijk handelen alsmede dat het gaat over het definixebren van de existentie en de uitgebreidheid van het gebouw. Het gebouw wordt door het materialiseren voorzien van een lichaam van gebruik. Het is het samengaan van de verschillende aspecten van architectuur met de mogelijkheden voor de gebruiker. Door de materialisatie van het gebouw herkent en kan de gebruiker kennen, door middel van de waarneming, mogelijkheden die in het gematerialiseerde liggen besloten. Door een zekere overeenkomst in existentie en uitgebreidheid is er de mogelijkheid om als gebruiker een gebouw en daarmee architectuur te kunnen plaatsen. Het begrijpen van een gebouw ligt in het kennen van het zelf en specifiek in het kennen van de lichamelijkheid.
De muur als (eerste) belangrijk architectonisch element
Hoe komt deze lichamelijkheid tot uitdrukking in architectuur?
De muur is een elementair onderdeel van architectuur. In de manier van vorm en materialisatie, of te wel de existentie en uitgebreidheid, van de muur draagt zij, in meervoudige zin, het concept van het gebouw. De muur is daarmee het overdrachtsmedium van concept van het gebouw naar de gebruikers en vice versa. De gebruiker staat door de muur in contact met het gebouw en architectuur. De wijze van materialisatie van het gebouw, de wijze waarop het concept van het gebouw is uitgewerkt komt tot uitdrukking in de muur, dat er indruk van geeft.
De muur moet in de architectuur worden bepaald en daarmee komt architectuur tot ons. We herkennen door de muur het architectonische zijn. Het is de vraag van de architectuur naar het zijn van (de) ruimte, dat is aangegeven als kern van de architectuur, die hierin een beantwoording krijgt. Een muur van een gebouw geeft hiermee inzicht in de positie die (de) ruimte inneemt in het concept. De muur geeft inzicht in (het denken over) (de) ruimte.
Dit mag de indruk wekken dat we door het kennen van een enkele muur (de) ruimte zouden kennen. Vanuit de architectuurgeschiedenis moeten constateren dat er grote verschillen zijn te zien, in de verschillende architectuuruitingen, hoe een muur wordt voorgesteld.
Een muur in het werk van Palladio, of recenter Ruskin, is gemaakt van een materiaal. Het is geproportioneerd naar verhoudingen. Deze ontwerpen zijn robuust en hebben een eeuwigheidsintentie. Wanneer er gekeken wordt naar de, zelfbenoemde, vaders van de moderne architectuur; Le Corbusier en Frank Lloyd Wright, kan er wel een beschouwing plaats vinden ten aanziende van materiaal en verhoudingen maar dat is niet direct de typering van hoe de muur als architectonisch element wordt gebruikt. Het is een veel lichter element geworden dat zijn eigen identiteit kent. De muur is een zelfstandig eenheid.
In het werk van onder andere Aldo Rossi en Dom Hans van der Laan zien we wederom een andere verschijning van de muur. In de nadruk op materialisatie zouden we kunnen zeggen dat dit muurprincipe valt in het kader van Palladio en Ruskin maar dat is niet geheel waar. Het is een muur die staat in een bredere context van het gebouw in zijn stedebouwkundige omgeving. De wijze van materialisatie is een bewust articuleren van de ruimte. Het is een benadrukken van de locatie in het geheel.
De muur van Rem Koolhaas of Kas Oosterhuis wordt op een andere wijze gekenmerkt. Het is de benadrukking van ruimte. Het materiaal zelf is, schijnbaar, onderschikt geworden in het concept. De muur is geen aanwijsbaar element dat zich monolithisch opricht. Het zwaait en zwabbert alle kanten op.
De ontwikkelingsgeschiedenis van de muur kan hieruit als volgt worden geschetst. Het eerste dat te onderscheiden valt is de massieve (Renaissance) muur. Een eenheid met het gebouw. Deze verandert in de (modernistische) schijf of wand. Als zelfstandige eenheid herkenbaar in het gebouw. Deze wordt opgevolgd (in het postmodernisme van de jaren 70) door de wand-muur. Als eenheid herkenbaar en tegelijk onderdeel van het gebouw. Op dit moment (de informatietechnologische maatschappij) is de muur een schil. Het bekleedt het gebouw met een identiteit.
In deze korte uiteenzetting komt naar voren dat de muur op verschillende wijzen wordt gearticuleerd. Het is onderhevig aan het onderliggende concept dat door de verschillende architecten/ontwerpers is gebruikt. Het concept dat een uitdrukking is van het denken van de architect/ontwerper. Dit denken is verbonden met het denken, maatschappij visie, uit een bepaalde periode. Dit denken dat tot ons komt vanuit onder andere de filosofie.
Een vergelijkbare ontwikkelingsgeschiedenis van de muur kan geconstateerd worden in de filosofie. De hermetische denkwijze van zowel de scholastiek als het cartesiaanse denksysteem wordt definitief opengebroken door het concept van de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Sporen van aanzetten van deze ontwikkeling zijn te vinden in het cynisme en het dood verklaren van God in de werken van Nietzsche en Sartre. Het is de fundamentele twijfel waardoor ze vergelijkbaar zijn. De focus van het denken van Lefebvre en Heidegger is meer gericht op het zijn (van de mens). Het zijn (van de mens) is de kleine vraag naar het grotere geheel. Voor Sloterdijk, die leeft in een uiteengeslagen technologische maatschappij, is het de vraag waar het zijn is. Het antwoord komt in de vorm van amorfe bubbels van het schuim. Het verbonden zijn via verscheidene verbindingen maar niet als eenduidig te omschrijven.
Beide ontwikkelingen, het architectonische en het filosofische denken, beschouwen in deze een vergelijkbare ontwikkeling van wereldordening. Het is de vraagstelling naar de ordening (of chaos) van de wereld. De muur is haar, tijdelijke, antwoord. De muur, als architectonisch element, die de ordening van het gebouw, de architectonische werkel